Dat doe je heus wel even voor me

Jacqueline staat voor je neus. Ze maakt een gespannen indruk. Ze plukt aan haar trui, haar gezicht ziet er zweterig uit. ‘Ik wil mijn geld.’ Je vraagt haar wat ze bedoelt. Jacqueline rolt met haar ogen en zet een stap vooruit; ze staat nu op ongeveer 20 centimeter afstand van je. ‘Doe nou maar niet zo, je weet waar ik het over heb. Die budgetbeheerder houdt al mijn geld vast. Ik ben er klaar mee: ik wil eens even lekker shoppen. Weet je hoelang dat geleden is?’

‘Ga je nog antwoord geven, of hoe zit dat?’ zegt Jacqueline met verheven stem. Je probeert uitleg te geven over de afspraken met budgetbeheer: een keer per maand een extraatje, minstens 1 werkweek van tevoren aanvragen, en met acute vragen tussen 09.00 en 11.00 uur bellen. Het is 16.00 uur. ‘Oh, ga jij me nu vertellen wat ik mag? Sinds wanneer ben jij de baas?’ Je geeft aan het vervelend voor Jacqueline te vinden, maar niks te kunnen doen behalve zorgen dat haar verzoek wordt overdragen aan de dagdienst morgenochtend. 

‘Dacht het niet. Jij gaat dit oplossen. Door jou en je achterlijke collega’s zit ik hier sowieso. Ik mag niks, en nu mag ik ook mijn eigen centen niet?’ Je wilt reageren, maar Jacqueline vervolgt: ‘Je bent toch niet zomaar verpleegster? Dan wil je mensen helpen. Nou, help mij maar. Dat doe je heus wel even voor me.’ Je herhaalt wat je net zei en probeert het gesprek af te ronden: ‘Jacqueline, ik heb nu een gesprek met iemand anders.’ Maar Jacqueline laat het niet los. ‘Als jij dit niet voor mij regelt, ga ik het je heel lastig maken meissie. Pas maar op. Ik pak je zo’. Je ziet achter Jacqueline je collega aan de andere kant van de gang aan komen lopen.