Help, ik word aangevallen!

‘Blijf van me af!.’ Je hebt net geprobeerd de heer Klaassen gerust te stellen: hij was bang dat je hem kwam meenemen. Ontvoeren. ‘Ik word al dagen in de gaten gehouden’, schreeuwt hij. ‘Jij hoort vast bij de club verraders’. Het is ochtend. De tranen rollen over zijn wangen; zijn gezicht is rood aangelopen. Van de nachtdienst kreeg je tijdens de overdracht te horen dat de heer Klaassen niet heeft geslapen. Hij heeft veelvuldig op het alarmbelletje gedrukt omdat er ‘vreemde figuren’ in zijn kamer stonden, en deze weggestuurd wilde hebben.  

Je wilt graag dat de heer Klaassen even overeind komt in bed: zo kan hij wat drinken, proberen te eten en zijn medicatie nemen. Maar hij weigert. ‘Daar komt niks van in. Ik heb de politie al verwittigd.’ De heer Klaassen heeft bloeddoorlopen ogen. Ze lijken ook ingezonken te zijn; diep te liggen. Hij gaat veelvuldig met zijn tong langs zijn lippen. Je ziet groeven in zijn tong. De dekens ruiken naar urine. Met zijn armen maait de heer Klaassen wild om zich heen. ‘Scheer je weg, ik heb hier niks mee te maken’. Zijn huid ziet er geschilferd uit. Hij friemelt aan zijn pyjamajas.

Wilt u thee?’, probeer je. Voorzichtig duw je de gordijnen een klein stukje open: het ochtendzonnetje werpt fris daglicht naar binnen. De heer Klaassen plukt aan de lakens. Terug aan bed licht je nog eens toe wie je bent en wat je komt doen. ‘Dat gelooft je moeder niet eens. Houd op met deze schertsvertoning. Laat mij toch met rust.’ Je doet even niks, bent even stil. En dan haalt de heer Klaassen uit: een flinke tik met zijn hand tegen je hoofd.